naar homepagina

 

Bijbelwijzer, een uitleg van de teksten en tips voor een kringgesprek bij de uitgave BIJBELVERHALEN IN BEELD

voor groep 1 en 2

 

 

GROEP 1

 

 

PERIODE                   BIJBELTEKSTEN DE UITGAVE BIJBELVERHALEN IN BEELD

 

 

 

Periode 1                    Laat de kinderen tot mij komen (7)                          

 

Situatieschets

De kinderen willen bij Jezus komen, zodat zij met hem kunnen praten. De leerlingen willen hen echter wegsturen. Maar Jezus laat duidelijk merken dat zij wel degelijk welkom zijn!

 

 

Thema

Opvallend is dat hier partij wordt gekozen voor het kind. Waarschijnlijk vindt de verteller dat de kinderen onbevangen, directer en daarmee ook eerlijker tegen het reilen en zeilen van de wereld aankijken. Kinderen kunnen vaak met heel goede vragen komen waar de ouderen geen raad mee weten. Die kunnen daar zelfs soms neerbuigend over doen in de trant van: ‘daar zijn jullie nog niet aan toe’, of ,’dat kunnen jullie niet weten’.

 

Vragen

·         Waarom zouden de kinderen bij Jezus willen komen?

·         Waarom zouden ze weggestuurd worden?

·         Waarom riep Jezus ze weer terug?

·         Waar zouden ze met Jezus over willen praten? (of aan hem willen vragen)

·         Ben jij wel eens bij oudere mensen weggestuurd?

·         Weet je nog waar? Weet je ook waarom?

·         Vind jij dat oudere mensen (wel eens) niet goed naar jou luisteren?

·         Waar zou jij met de oudere mensen over willen praten?

·         Denk jij dat jij het misschien soms beter kan weten dan ouderen?

·         Zie verder suggesties in Idee bladzijde 322, bij horen/praten. Een uitwerking over momenten dat de kinderen van de ouderen stil moeten zijn.

·         Zie ook de informatie en suggesties in De Vleugels van de Tijd  bij mond op bladzijde 146 – 148.

 

                                  

 

 

Periode 1                                Zacheüs (14) 

 

Situatieschets

Zacheüs was een belastinginner die in een boom klom om Jezus tussen de vele mensen te kunnen zien. Jezus vroeg of hij bij hem thuis kon komen eten, ondanks dat veel mensen dat afkeurden. Zacheus was namelijk een vreemde en een rare man. Bovendien haalde hij geld op voor de bezetter (de Romeinen). Door de ontmoeting met Jezus werd Zacheüs een andere man en gaf de helft van zijn geld aan de armen.

 

 

 

Thema

Bezoeken: wie nodig je uit? Mensen die uitgenodigd worden, worden in een gemeenschap betrokken en dat kan goed doen

Op bezoek gaan: bij mensen (kinderen) die je niet liggen of niet je grootste vrienden zijn; gaan spelen bij een kind die in de groep, om wat voor reden ook, niet “goed ligt”; gaan spelen bij een kind waar je moeite mee hebt of je niet aardig vindt (vooroordelen).

 

 

Vragen

·         Bij wie ben je wel eens op bezoek geweest?

·         Vond je het daar leuk?

·         Waarom vond je het daar dan leuk?

·         Vond je het daar niet leuk?

·         Wat of waarom vond je het daar dan niet leuk?

·         Ben je wel een uitgenodigd geweest om bij iemand op bezoek te komen?

·         Heb jij wel eens iemand uitgenodigd om bij jou op bezoek te komen?

·         Heb jij wel eens tegen iemand gezegd dat je bij hem of haar op bezoek wilt komen?

·         Heb jij iemand die alleen was ook wel eens gevraagd om op bezoek te komen?

·         Wie mag er niet bij jou op bezoek komen? Waarom?

·         Bij wie wil jij niet op bezoek komen? Waarom?

·         Denk jij dat de andere kinderen het leuk vinden wanneer ze uitgenodigd of gevraagd worden?

·         Zie verder de suggesties over bezoeken in Idee op bladzijde 96 en 97.                                 

 

 

Periode 2                    Een arme weduwe deelt alles wat zij heeft (9)                    

 

Situatieschets

Er staat een offerkist in de tempel. Een rijke man komt langs en doet er wat geld in. Dan komt een arme weduwe in de tempel en zij gooit twee muntjes in de offerkist.

Jezus zegt dat de arme weduwe het meest in heeft geworpen, want zij heeft alles wat ze bezat gegeven! (Marcus 12, 41 – 44)

 

Thema

Er staat een offerkist. Wat is een offer? Een offer is wanneer men iets geeft dat duidelijk “pijn” doet. Er gaat een ‘rib uit je lijf’. De rijke man merkt eigenlijk niets van zijn gift. De weduwe wel want zij zal aan eten voor die dag niet kunnen kopen. En een weduwe had het in die samenleving (net als wezen en vreemdelingen) erg moeilijk, want sociale voorzieningen kenden ze niet!

 

Benodigdheden

·         Euro’s en eurocenten

 

 

Vragen

·         Waarom deed de rijke man geld in de offerkist?

·         Waarom zou de arme weduwe dat doen?

·         Weet je wat een rijke man is?

·         Weet je wat een weduwe is?

·         Wie van hen zou het meest hebben gegeven?

·         Stel: er zijn drie vriendjes: Kees, Achmed en Joris. Ze krijgen allemaal iedere maand zakgeld: Kees vijf euro; Achmed zeven euro en Joris vijftig eurocent. De juf vraagt aan de kinderen of de kinderen wat geld mee willen nemen voor een actie (*) op school. Een actie voor een school in Afrika. De drie vriendjes vragen wat geld thuis. Hun ouders zeggen, betaal maar van je zakgeld! De drie vriendjes spreken af dat ze elk twintig eurocent aan de juf  geven! Wie heeft nu het meeste gegeven! (beeld het eventueel uit in geld, wat blijft nog liggen bij Kees, Joris en Achmed) . Het gaat hier niet om een letterlijke vergelijking maar om een vergelijking van wat een ieder in zijn beurs voelt. Wat worden dan de financiële mogelijkheden voor de drie vriendjes!

·         Wanneer het verhaal in de vastentijd wordt voorgelezen kunt u hierover met de kinderen  praten! U kunt ook een vastenzakje laten zien.

·         Zie verder de suggesties bij winkelen in Idee op bladzijde 617. Er liggen veel reclamefolders over speelgoed dat graag zou je  willen kopen en heb je dat echt nodig!?

·         Zie ook informatie en suggesties in De Vleugels van de Tijd bij ‘offer’ op bladzijde 104 – 107.

 

(*) u kunt tevens aangeven om welke actie het gaat die uw school organiseert of steunt.

 

 

 

Periode 2                                Bartimeüs, de blinde bedelaar (8)

 

Situatieschets

Jezus komt een blinde man tegen. Hij heet Bartimeüs. De blinde man schreeuwt naar Jezus en smeekt om medelijden en vraagt of hij weer mag zien!

Jezus geeft hem zijn zicht weer terug.

 

 

Thema

In veel verhalen uit die tijd komt blindheid voor. Het is een veel voorkomende ziekte. En dat is niet vreemd in een klimaat van stof, felle zon, insecten en weinig hygiëne. Dan zijn de ogen erg kwetsbaar. Blinden zijn in zo’n omgeving sociaal en economisch totaal afhankelijk van andere mensen. Er gaan ook verhalen rond dat deze blinden gestraft zijn door God en dat ze onvolmaakt zijn. Dat heeft weer tot gevolg dat ze niet mee mogen doen aan bepaalde diensten in de tempel. Ze leven letterlijk aan de rand van de samenleving. Dus het is dan ook niet verwonderlijk dat ze zich tot Jezus wenden, want hij haalt ze immers weer binnen de gemeenschap.

 

 

Vragen

·         Weet je wat een handicap is?

·         Noem een paar handicaps?

·         Kunnen mensen met een handicap altijd met alles meedoen?

·         Is het voor mensen die geen handicap hebben gemakkelijk om te gaan met mensen die een handicap hebben: praten met doven, wandelen met een blinde?

·         Zouden mensen met een handicap zich wel eens eenzaam voelen?

·         Hoe voelt Bartimeüs zich?

·         Waarom roept hij Jezus?

·         Wat doet Jezus als hij door Bartimeüs wordt geroepen?

·         Zie verder de suggesties bij Idee op bladzijde 356, kijken door te voelen.

·         Zie ook informatie en suggesties in De Vleugels van de Tijd bij ‘lijden’ op bladzijde 113 – 115.

 

 

 

 

Periode 3                    De geboorte van Jezus (1)                                                  

 

·         Zie hiervoor het project bij de onderbouw, winterprojecten, ster en/of kind.

 

 

 

 

Periode 4                    Drie wijzen  op zoek naar Jezus (2)

 

 

·         Zie hiervoor ook het project bij de onderbouw, winterprojecten, ster (staf).

 

 

 

 

 

Periode 4                                De goede Samaritaan (10)               

 

Situatieschets

In dit verhaal reist een man via een weg die berucht is om de vele gevaren, zoals struikrovers. Die man wordt overvallen. Hij blijft gewond langs de weg liggen. Een priester en een Leviet lopen langs hem zonder te stoppen. Ze kijken zelfs amper naar hem.

Maar een Samaritaan, de traditionele vijand van de joden (Vergelijk met de huidige Palestijnen), toont medeleven en stopt. Hij verzorgt de wonden van de man, geeft wat te drinken en brengt hem naar een herberg en betaalt voor zijn verblijf.

 

 

Thema

Het bovenstaande verhaal is een gelijkenis. In die tijd was het gebruik van gelijkenissen veel voorkomend in vertellingen, zo ook bij Jezus.

Het is een manier waarmee de verteller zijn verhaal aan de toehoorder aantrekkelijk, helder en begrijpelijk wil maken.

Zo ook de gelijkenis van de goede Samaritaan, dat is om de toehoorder duidelijk te maken wie je naaste is. Je naaste zijn niet alleen je vrienden of je volksgenoten. Het zijn ook mensen die je niet mag en of waar je vooroordelen tegen hebt.

 

 

Vragen

·         Wie wordt door de rovers overvallen?

·         Wat gebeurt er met de man die overvallen is?

·         Waarom lopen de priester en de Leviet door?

·         Waarom stopt de Samaritaan wel?

·         Waarom brengt hij hem naar een herberg (hotel)?

·         Zegt het verhaal nu dat de priester en de Leviet het goed gedaan hebben?

·         Wat wil het verhaal jou vertellen (leren)?

·         Denk jij dat het gemakkelijk is om iedereen die pijn of verdriet heeft te helpen?

·         Heb jij wel eens meegemaakt dat de een de ander niet wil helpen.

·         Zie verder suggesties bij Idee op bladzijde 162 over zorgen. Kinderen maken kennis met het instituut verzorgingshuis, bejaardenhuis. Laat hen ook vertellen of zij iemand kennen die in zo’n instituut verblijft. Hoe vaak krijgen ze bezoek van familie?

Opmerking: Een hond wordt vaker uitgelaten dan een oude tante in een verzorgingshuis! Een hulpbehoevende zorg geven kost veel tijd en energie!

 

 

 

 

 

 

Periode 5                    De drie knechten (15)                                              

 

 

Situatieschets

Een heer heeft drie knechten die voor hem werken. Hij moet op reis en hij vraagt zijn knechten om goed voor zijn bezit te zorgen. Omdat hij het belangrijk vindt dat de knechten eigen initiatief moet tonen geeft hij hun er geld voor ‘goed ondernemersschap’. Twee knechten gaan ermee aan de slag en weten er goede zaken mee te doen. De derde knecht is bang om te verliezen en stop het geld weg op een goede plek. Als de heer terug komt is hij blij met wat zijn twee knechten hebben gedaan, maar de derde stuurt hij weg!

 

Thema

In die tijden was het woord knecht niet ongebruikelijk. Ook in Nederland/Vlaanderen tot voor ‘kort’ niet. Een boer had zijn knechten. Nu worden deze woorden niet veel meer gebruikt, ze worden  ‘medewerkers’ of ‘personeel’ genoemd. Maar in ieder geval wilde de heer zijn drie knechten een kans geven om hun kwaliteiten (talenten) te benutten door hen verantwoordelijkheid te geven door hen naar hun eigen inzicht en vermogen te laten werken. Een knecht had last van faalangst of was lui. Hij werd weggestuurd.

 

Vragen

·         Waarom zou de baas van zijn bedrijf zijn ‘knechten’ geld geven?

·         Wat deden de drie knechten nu met het geld?

·         Waarom deed de ene knecht er niets mee?

·         Waarom zou hij het moeilijk gevonden hebben om met het geld wat te doen?

·         Vind jij het ook fijn wanneer iemand jou een ‘vrije’ opdracht geeft.

·         Waarom heeft hij de andere knechten niet om hulp gevraagd?

·         Wanneer jij een opdracht niet begrijpt, durf jij dan ook aan een ander kind (niet aan de leerkracht) te vragen hoe het moet?

·         Toen de baas terugkwam vierde hij een feest met de twee knechten, maar de derde die niets met het geld gedaan had stuurde hij weg. Vind je dat goed?

·         Zie ook bladzijde 578 over werken in Idee. Stel daarbij de vraag aan de kinderen of men het leuk zal vinden wanneer iemand in de groep niet mee wilt werken? 

 

                                  

Periode 5                                Het Pasen van Jezus (16)    

 

 

Situatieschets

Het verhaal beschrijft zes situaties:

1.      intocht in Jeruzalem;

2.      voetwassing;

3.      laatste avondmaal;

4.      het verraad van Jezus;

5.      de kruisiging

6.      het lege graf

 

Thema’s

Er zijn zes thema’s:

1. De intocht van Jezus op een ezel in Jeruzalem is een feestelijke gebeurtenis. Mensen zwaaien met palmtakken en roepen dat hij de ‘heer’ en ‘de koning van Israël’ is.

Hij rijdt op een ezel, een beeld van eenvoud.

2. De voetwassing. Dat is een beeld van dienstbaarheid. Eigenlijk horen de knechten de voeten van hun meerderen te wassen. Maar nu is Jezus de ‘ondergeschikte’. Het was in die tijd gewoon dat men elkaar hielp met wassen (haar, voeten, rug, gezicht).

3. Er zijn verschillende interpretaties van het laatste avondmaal, maar wat wel duidelijk is dat Jezus met zijn leerlingen een maaltijd had waarbij er van bewust was dat hij (Jezus) zijn leven niet meer zeker was.

4. Het was geen vanzelfsprekende arrestatie van Jezus, want een van zijn vertrouwelingen speelde een hoofdrol in de opmaat tot zijn dood. Jezus had niet alleen vijanden bij de Romeinen en de machtige priesters, maar ook onder zijn volgelingen.

5. Kruisiging was een “populaire” terechtstelling in die tijd. De Romeinen gebruikten die straf om de mensen er onder te houden. Het was een effectief afschrikmiddel om slaven, nationalisten, misdadigers en vreemdelingen in toom te houden. Men werd in het openbaar uitgekleed en gemarteld (ook door de omstanders) voordat zij aan een kruis werden opgehangen. Kruisiging leidde niet tot beschadiging van organen of bloedverlies, zodat het sterven van de gekruisigde zeer langzaam en pijnlijk was. Ademen werd steeds moeilijker en men ging uiteindelijk dood aan een combinatie van ademnood, shock, honger en dorst.

Vaak werden ze niet van het kruis gehaald en zo hadden dieren en vogels vrij spel.

Het was uitzonderlijk dat Jezus van het kruis werd gehaald en in een graf werd gelegd.

6. Het verhaal van het lege graf wordt op verschillende manieren overgeleverd: de verhalen van het lege graf, het verhaal van de vrouwen en andere getuigenissen van verschijningen. De verrijzenis was alleen door God mogelijk. Dus Jezus was zijn zoon!

 

 

Vragen

De vragen zijn onderverdeeld in de bovenstaande zes thema’s:

1 Intocht in Jeruzalem

·         Waarom zit Jezus op een ezel en niet op een paard?

·         Waarom zwaaien de mensen met palmtakken en zingen ze hem liederen toe?

·         Zou Jezus dat leuk gevonden hebben, zo’n feestelijke intocht?

·         Heb jij wel eens zo’n feestelijke intocht gezien of meegemaakt?

U kunt de kinderen een palmpasenstok maken en een tocht (processie houden door de school)

2.      Voetwassing

·         Waarom wast Jezus de voeten van zijn leerlingen?

·         Word jij wel eens geholpen met wassen?

·         Vind je het leuk dat iemand jou wast?

·         Zou jij een ander wel eens willen wassen?

U kunt de kinderen de handen of voeten wassen, hiervoor hebt u een kan, een schaal en een handdoek nodig.

3.      Laatste avondmaal

·         Jezus at en dronk samen met zijn leerlingen, weet jij wat ze aten en dronken?

·         Waarom was het een speciale maaltijd?

·         Waar wordt die maaltijd ook wel ‘nagedaan’ (herdacht)?

·         Waarom vond Jezus belangrijk dat de mensen samen moesten blijven komen?

·         Wanneer hebben mensen speciale of feestelijke maaltijden? (huwelijk, jubileum)

U kunt met de kinderen een maaltijd houden op een gedekte (wit doek) tafel met bloemen en kaarsen. Ze krijgen matzes met eenvoudig beleg en druivensap (i.p.v. wijn).

4.      Het verraad van Jezus

·         Jezus is door een van zijn vrienden verraden, zou hij dat leuk gevonden hebben?

·         Waarom heeft hij zijn vriend Jezus verraden? (hij kreeg geld – erkenning)

·         Heb jij dat wel eens meegemaakt, dat vrienden niet eerlijk tegen elkaar doen?

·         Waarom zouden vrienden hun vrienden pijn doen?

·         Zou Judas spijt kunnen krijgen dat hij zijn vriend Jezus verraden heeft? (ja, hij pleegt later zelfmoord)

5.      De kruisiging

·         Jezus werd aan het kruis gehangen, waarom eigenlijk?

·         Was Jezus direct dood?

·         Waarom hingen er meer mensen aan het kruis?

·         Hoe worden de mensen nu gestraft?  (gevangenis, taakstraf, een boete en in sommige landen (Verenigde Staten van Amerika) bestaat (nog) de doodstraf)

6.      Het lege graf

·         Er kwamen een paar vrouwen bij het graf van Jezus? Wat kwamen ze daar doen?

·         Hij was er niet meer, de steen voor het graf was is weggerold! Wat was er gebeurd?

·         De engel zei dat hij leefde! De vrouwen geloofden dat!  Wat gingen ze snel doen!

·         Weet jij wat een engel is?

·         Heeft een engel ook wel eens iets tegen jou gezegd?

·         De mensen geloven dat Jezus niet echt dood is, maar dat hij leeft. Wat vind jij ervan? (zie ook project Derk Das blijft altijd bij ons – bij onderbouw)

·         Zie ook informatie en suggesties in De Vleugels van de Tijd bij ‘lente’ op bladzijde 11 –14 en bij ‘dood’ op bladzijde 104 – 107.

 

 

.

 

Periode 6                    De goede herder (13)

 

Situatieschets

Een herder heeft een kudde en op een dag merkt hij, wanneer hij zijn schapen telt, dat er een ontbreekt! Hij wil perse dat schaap terugvinden en laat zijn kudde achter om te zoeken vinden. Hij vindt zijn schaap, dodelijk vermoeid en neemt het mee naar huis. Thuisgekomen organiseert hij een groot feest, wat het is belangrijk dat het ene schaap weer terug is in de kudde (gemeenschap).

 

Thema

De figuur van de herder is gemakkelijk in overdrachtelijke zin te gebruiken. Voorbeelden hiervan zijn op veel plaatsen te vinden. Een beeld is dat van een herder die zijn kudde beschermt, maar ook een weg baant naar grazige weiden. Mozes wordt ook met een herder vergeleken, want hij leidde het volk naar het land van melk en honing. Johannes gebruikt  beeld van een goede herder ook in zijn vertellingen en hij legt de nadruk op het beschermen van de enkeling.

 

Vragen

·         Weet je wat een herder is?

·         Wat moet een herder allemaal doen?

·         Over welke dieren kan hij herder zijn?  (schapen, geiten, ganzen, koeien)

·         In het verhaal kun je lezen dat er een schaap weg is? Hoe komt het dat er een schaap weg is? (hij is de weg kwijt geraakt; was moe en kon niet bijblijven; wordt door andere gepest en durft niet bij de groep te blijven)

·         Kun goed jij ook op iets passen? Bijvoorbeeld op je jonger zusje of broertje, op je oude oma en opa, zorgen voor je ouders, zorgen (iedere dag) voor jullie huisdieren.

·         De herder was heel erg blij dat hij zijn schaap terug vond. Waarom?

·         Vieren wij ook een groot feest  wanneer iemand terugkomt? (na verblijf in het buitenland, na een langdurig verblijf in een ziekenhuis, als men iets goed maakt (ruzie) en de groep weer leuk is)

·         Zie ook bladzijde 676 in de map Idee., bij het thema ‘zoeken’. Daar ligt het accent dat men moeite moet doen om iets te vinden.

·         Zie informatie en suggesties in De Vleugels van de Tijd  bij ‘relaties’ op bladzijde 96 – 99

 

 

 

Periode 6                                Het Pinksterfeest (18)           

 

 

 

Situatieschets

Op een dag zit een aantal leerlingen en vrienden van Jezus in een huis. Ze zijn verdrietig en een beetje bang. De deur is op slot. Jezus is dood.

Ineens voelen zij de Geest door het huis waaien. Dan staat Petrus op en doet de deur open. Hij vertelt het aan iedereen die het horen wil: Jezus leeft!

Het gekke is dat men niet begint te vragen: waar heeft hij het over?;  waarom praat hij zo?; moet dat nu!  Nee iedereen begrijpt Petrus en ze laten zich door hem dopen. Deze gedoopten komen vanaf nu iedere zondag bijeen om te bidden, te zingen en samen brood te eten.

 

Thema

Van belang is te constateren dat de mensen die bang en verdrietig waren, weer los kwamen door een ‘wind’. Een frisse bries maakte hen weer vrij van hun angst en verdriet en dat gaf hun weer mogelijkheden om opnieuw te beginnen of iets totaal anders te gaan doen.

Beelden van die wind of geest kunnen zijn:

·         een hevige wind: hij laat de stof opwaaien

·         een zachte bries over iemands huid

·         een onverwachte stem die een ander roept

·         een oog die de ander onverwachts aankijkt

·         iemand die een ander hoort.

 

Vragen

·         Ben je wel eens bang of verdrietig geweest?

·         Waarom ben je wel eens bang of verdrietig?

·         Wat deed je toen?

·         Kwam er wel eens iemand naar je toe om je troosten?

·         Vind je het leuk als iemand naar je toekomt?

·         Heeft iemand je wel eens getroost?

·         Ben jij wel eens naar iemand gegaan die bang of verdrietig was?

·         Zie ook Idee op bladzijde 314 en 315 over ‘horen en praten’. Dat is een aantal luisteroefeningen met als doel te leren waarnemen, onderscheiden en benoemen.

·         Zie informatie en suggestie in De Vleugels van de Tijd bij ‘oog’ en ‘oor’ op bladzijde 135 – 139.

 

 

 

 

 

GROEP 2

 

 

 

PERIODE                   BIJBELTESTEN UIT BIJBELVERHALEN IN BEELD

 

 

 

Periode  1                   Jezus roept de vissers (4)    

 

 

Situatieschets

Jezus loopt langs het water. Hij ziet een aantal vissers bij hun boten. Zij maken hun netten schoon. Jezus vraagt ze of hij met hen mee mag. Dat kan en midden op het meer zegt Jezus dat zij de netten uit moeten gooien. Zij vinden het vreemd, want ze hebben al de hele dag en nacht niets gevangen. Toch gooien ze hun netten uit en ze vangen zoveel vis dat hun netten scheuren.

Ze roepen hun vrienden van een andere boot en ze komen helpen. Daarna gaan ze terug naar de kade en Jezus vraagt of de vissers met hem mee willen gaan. Om mensenvissers te worden!

 

Thema

Er staan in het nieuwe testament verschillende verhalen waarin Jezus de vissers wegroept van hun net en schip en ze uitdaagt om, vissers van mensen te worden. Met zijn vraag appelleert Jezus op de werkervaring van zijn toekomstige leerlingen. De roep van Jezus is niet vrijblijvend, want ze geven hun zekerheid en hun bezit op. Deze mensen krijgen van Jezus het gezag om te prediken en te genezen.

 

Vragen

·         Waarmee vangen de vissers de vissen?

·         Hoe gaan ze het meer op?

·         Waarom wilde Jezus met de vissers mee?

·         Welke tip gaf Jezus de vissers?

·         Vonden ze de tip van hem niet gek?

·         Wat deden ze?

·         Vingen ze vis?

·         Jezus vroeg de vissers om met hem mee te gaan. Wat moesten ze gaan doen?

·         De vissers gingen zomaar mee, ze lieten zomaar alles achter? Waarom deden ze dat zomaar?

·          Mensen kunnen allerlei soorten werk doen: op het kantoor, op een schip, op een boerderij als dokter of verpleegster in een ziekenhuis, als dokter of verpleegster in een arm land, als juffrouw of meester met kinderen die geen probleem hebben met leren, als juffrouw of meester op een school waar de kinderen niet gemakkelijk leren? Bij welke banen moeten mensen hard moeten werken?

·         Zie ook informatie en suggestie in De Vleugels van de Tijd bij het onderwerp ‘arbeid’ op bladzijde 120 -122

 

 

 

 

Periode 1                    Je hoeft niet bang te zijn  (5) 

 

Situatieschets

Het is avond geworden en Jezus gaat met zijn leerlingen in een boot en ze willen naar de overkant van het meer. Jezus is moe en valt in slaap. Ineens gaat het stormen. De golven het schip slaan over. De leerlingen worden heel bang en maken Jezus wakker. Jezus staat op en berispte hen om hun bangheid en roept tot de wind en water: “Zwijg, wees stil!”  De leerlingen geloven hun ogen niet en zeggen tot elkaar: “Wie is hij die dat kan!”

 

Thema

Diepe meren of wateren of stormen staan in de oude tijd voor geheimzinnigheid. Wat is er zoal in diep water? Er kunnen wel monsters, draken, boze geesten wonen. Kijk uit als je wordt meegesleurd. Dan je door het water ‘opgegeten’. Stormen konden wel eens het gevolg van de boosheid van boze geesten zijn. Men wordt dan ook bang wanneer in terecht komt en overgeleverd is aan hun grillen. Jezus is niet bang voor de storm en voor de diepte. Hij vindt dat maar onzin. Maar dat is moeilijk aan zijn leerlingen duidelijk te maken. Zo kunnen veel mensen ook om onverklaarbare redenen voor iets bang zijn: donkere zolders, lange gangen, onweer!

Het gaat hier om zelfvertrouwen: durft iemand het onzekere aan!

 

Vragen

·         Waarom gingen de leerlingen samen met Jezus in een boot?

·         Waar gingen ze naar toe?

·         Wat gebeurde er op het meer?

·         Waren de leerlingen van Jezus bang?

·         Was Jezus ook bang?

·         Waarom werd hij een beetje boos op hen toen zij hem wakker maakten?

·         Wat deed Jezus toen?

·         Ben jij ook wel eens bang? (donker, storm, harde regen, enge geluiden, een spin, een muis, onweer). Is het ook echt nodig om hiervoor bang te zijn?

·         Is iemand die hiervoor niet bang is een durfal?

·         Zie ook de suggesties in de map Idee op bladzijde 39 over ‘het bang zijn’ (flink en flauw)

·         Zie ook de suggesties en informatie in De vleugels van de Tijd over het onderwerp ‘lijden’

 

 

 

Periode 2                    Een huis op de rots of op het zand (6)

 

Situatieschets

Een man gaat een huis bouwen Hij heeft haast! Het moet zo snel mogelijk klaar zijn. Hij zoekt een lege plek en bouwt  op een zanderige plaats. Op een dag gaat het hard regenen en het begint te waaien. Het is een harde wind. Het huis stort in elkaar.

Een andere man gaat ook een huis bouwen. Hij weet dat hij goed moet nadenken. Het huis moet stevig zijn, want hij wil er lang blijven wonen. Dus het kan het beste op een rots gebouwd worden. Na lang zoeken vindt hij een goede plek. Nu nog een tekening maken, want het huis moet wel op de plek passen. Het huis staat er eindelijk. Ook daar begint het hard te regenen en hard te waaien. Het huis stort niet in elkaar.

 

Thema

Wanneer men iets doet, moet men zich goed voorbereiden. Ook nadenken wat het doel is. Wat wil men bereiken?

 

Vragen

·         Hoe komt het dat het eerste huisje in elkaar stort?

·         Wat doet die man verkeerd?

·         Hoe komt het dat het tweede huisje niet in elkaar stort?

·         Wat doet die man goed?

·         Misschien heb jij dat ook wel eens meegemaakt, dat er iets verkeerd is gegaan? Weet jij nog wat verkeerd is gegaan?

·         Weet je ook waarom het verkeerd ging?

·         Mensen moeten zich altijd goed voorbereiden wanneer iets goed gedaan moet worden. Bedenk zelf een aantal voorbeelden en laat de leerlingen er over praten.

·         Zie ook suggesties en informatie in De Vleugels van de Tijd bij ‘arbeid’ op bladzijde 123 –124

 

 

 

Periode 3                    De geboorte van Jezus (1)

 

Zie uitwerking bij groep 1

 

 

 

Periode 4.                   Bruiloft te Kana (3)

 

Situatieschets

In het evangelie van Johannes is het eerste wonder van Jezus de verandering van water in wijn op een trouwfeest in Kana. Maria de moeder van Jezus, zegt tegen de bedienden dat ze goed naar Jezus moeten luisteren en op hėm moeten vertrouwen. Dat doen ze ook. Ze drinken dan zeer lekkere wijn!

 

Thema

In het evangelie van Johannes wordt dat als het eerste wonder beschreven. Dat verhaal wordt op 6 januari in de kerken (met name de orthodoxe) voorgelezen. Hier maakt Jezus zich kenbaar aan de mensen. (Openbaring des Heren). 6 Januari is naast Pasen eigenlijk de belangrijkste kerkelijke feestdag (niet Kerstmis), want hier wordt duidelijk wat Jezus komt doen. Er worden nog twee verhalen gelezen: namelijk, het bezoek van de drie koningen aan Jezus (ze wijzen Jezus aan als de Koning) en de doop in de Jordaan door Johannes (hier wordt Jezus ook aangewezen als de Messias.

Hoe nu het verhaal “bruiloft te Kana” te interpreteren: op het feest laat Jezus zien dat het water bedoeld voor de vele reinigingsrituelen overbodig is (*) Men kan de kruiken beter gebruiken voor het feest! Niet dat men zich niet moet reinigen, maar overdreven is ook weer niet nodig. Soms kan men zo vast zitten aan regels en voorschriften dat de bedoeling waar het eigenlijk om gaat (in dit geval: het feest) verloren gaat!

Een veel voorkomende situatie is bijvoorbeeld men is zo zuinig is op de spullen in huis (mag niet vuil, niet verschoven, niet aangeraakt worden), dat men liever heeft dat de kinderen buiten blijven of elders moeten spelen. Gaat hier de eigenlijke woonfunctie van het huis niet verloren: leefbaarheid!

(*) Zie Johannes 2, 6: “Nu waren daar zes stenen watervaten neergezet volgens het reinigingsgebruik…”

 

 

Vragen

·         Waarom vieren mensen feest?

·         Is het leuk wanneer op een feest de snoep en de drankjes opraken?

·         Is het leuk dat je op een feest stil moet zitten?

·         Soms mag je in een ruimte niet lekker dansen en springen, omdat men bang is dat je je bezeert of iets kapot maakt. Heb je dat wel eens meegemaakt? Kan het dan een leuk feest worden?

·         Het feest waar Jezus was was ook bijna niet leuk meer, want iets raakte op! Weet je wat opraakte?

·         Wel hadden ze genoeg water (want dat hadden ze klaar staan voor de vele reinigingsrituelen). Waarom zouden ze wel veel water klaar hebben staan? Wat kun je zoal met water doen (wassen)?

·         Zie ook bladzijde 230 de suggesties in Idee  over lekkere hapjes maken.

 

 

 

 

Periode 4                    De verloren zoon en de goede vader (11)

 

Situatieschets

Een vader heeft twee zonen. De jongste vraagt een deel van zijn erfenis en hij maakt van al dat geld een grote wereldreis. Hij feest al zijn geld op Hij was ook in een land waar het allemaal niet zo goed gaat. Hij kan daar alleen maar varkenshoeder worden. Hij komt tot inkeer en krijgt spijt van zijn daden. Hij wil terug naar zijn vader en is desnoods bereid om bij zijn vader in dienst te gaan als een knecht. Tot zijn verbazing is zijn vader niet boos en neemt hem blij op in zijn familie. Geeft een groot feest onder protest van zijn oudste zoon.

Hij had het immers altijd goed gedaan. Maar zijn vader is blij dat hij weer terug is.

 

Thema

Het gaat hier om hoe mensen met elkaar in broederschap  omgaan. De vader is verheugd dat zijn zoon die zich eigenlijk hem en broeder had afgekeerd en alleen maar aan zichzelf dacht, weer op zijn daden terugkomt! De jongste zoon heeft spijt (zelfreflectie) en dat is een belangrijke voorwaarde dat zijn vader, en ook zijn broer, hem kan vergeven en weer kan opnemen in de familie (gemeenschap/samenleving).

De oudere broer heeft daar moeite mee en hij vertoont de zelfgenoegzame houding van degene die het beste voor zichzelf wil houden, zoals de zogenaamde ‘gegoede’ burgerij.

De vader geeft hem, ‘de verloren zoon’:

Zijn beste mantel – een teken van eer;

Een ring – een teken van zelfstandigheid;

Een paar sandalen – teken van vrijheid, gaan waar je wilt;

En hij krijgt een groot feest, want een terugkeer van een verloren zoon is wel een feest waard!

 

Vragen

·         Weet jij wat een erfenis is?

·         De jongste zoon krijgt een deel van de erfenis, vindt de oudere broer dat leuk?

·         Hij gaat weg, op reis. Waar zou hij naar toe gegaan zijn?

·         Het geld raakt op. Wat voor baantje vindt hij? Vind hij dat leuk?

·         Hij krijgt spijt. Weet jij wat spijt is?

·         Waarom kreeg hij? (omdat het geld op is, of omdat hij zijn familie tekort heeft gedaan?)

·         Hij gaat terug naar huis. Zijn vader is niet boos, maar blij. Waarom is hij blij? (de jongen  toont wel eerst zijn spijt)

·         Zijn vader maakt het goed (=vergeeft) met hem.  Zijn broer vindt het niet leuk. Waarom vindt zijn broer het niet leuk?

·         Ben jij wel eens boos op je vriendje of broertje?

·         Maak je het ook goed?

·         Wanneer kun je het eigenlijk goed maken met je vriendje of je broer? (wanneer iemand zijn fout (zelfreflectie erkent)

·         Zie ook bladzijde 146 de suggesties, over’ ‘boos zijn’ en ‘goed maken’ in Idee

 

 

 

Periode 5.                   Het verloren geldstuk (12)

 

Situatieschets

Een vrouw heeft tien geldstukken. Op een dag is er een munt zoek. Ze wil haar verloren geld terug. Ze zoekt haar hele huis door en uiteindelijk vindt ze het terug!

Ze laat het aan iedereen weten, en geeft een groot  feest!

 

 

Thema

Hier gaat het om de volgende gedachte: wie de kleine niet weerd is, is het grote ook niet weerd!

Vaak laat men het kleine zitten omdat het toch niet belangrijk is! Dat wordt vaak over het hoofd gezien en daarmee dan ook vaak vergeten. Opvallend dat Lucas in zijn verhalen die fijngevoeligheid steeds toont: oog voor de arme, de kinderen, de vreemdelingen. Juist zij doen er toe! Hier het verhaaltje wat de ronde deed voor de 2e  wereldoorlog in Amsterdam over de opvolging van de directeur van het warenhuis de Bijenkorf. De directeur wordt oud en wil dat zijn zoon het directeurschap van hem overneemt. Veel mensen hebben weinig vertrouwen in zijn zoon. Ze vinden zijn vader doortastender! Daarom gaat hij met zijn zoon door het warenhuis om hem aan het personeel voor te stellen. Op de naaiafdeling gekomen zien vader en zoon dat er een naald op de grond valt. De zoon raapt het op en geeft hem aan het meisje wat achter de toonbank staat. Zijn vader zei toen: “Wie oog heeft voor zulke details: het zien en ook oprapen, niet afschuiven op een ander!, hij zal een goede directeur zijn!”

 

Vragen

·         De vrouw is het geldstuk kwijt. Waarom wilt ze het terugvinden?

·         Uiteindelijk vindt ze het terug en ze geeft daarom een groot feest? Waarom eigenlijk?

·         Ben jij ook welk eens iets kwijtgeraakt?

·         Heb je ook lopen zoeken?

·         Soms zeggen de mensen: “Ach ik ben het kwijt (of als het kapot is), ik koop wel een nieuwe”  Waarom zeggen ze dat?

·         Soms zie je wel eens dat mensen makkelijk planten wegdoen! Zomaar in een afvalemmer? Wat vind je ervan!

·         Soms gebeurt het wel eens dat in een glazen bak heel veel kikkervisjes zwemmen. Dat vinden ze niet leuk. Erg vol en benauwd. Zijn een stuk of tien kikkervisjes niet voldoende?

·         Wat doe je als je een knoop van je jas kwijt bent?

·         Meer en meer, waar hoor je dat wel eens?

·         Zie ook suggesties op bladzijde 675 in Idee ‘0ver het zoeken naar een verdwaalde poesje’ en op bladzijde 591  ‘over hergebruik van (afvalmateriaal)’

 

 

Periode 5                    Het Pasen van Jezus (16

 

Zie uitwerking bij groep 1

 

 

 

Periode 6                    Twee leerlingen op weg naar Emmaus (17)

 

Situatieschets

Twee leerlingen waren op weg naar huis. Ze woonden in Emmaus. Ze waren verdrietig, want Jezus was vermoord. Toen ze aan het lopen waren en over Jezus praatten kwam er een man bij hen. Hij vroeg waarom ze verdrietig waren. Ze vertelden aan hem waarom ze verdrietig waren. De man vertelde hen dat ze niet verdrietig moeten zijn. Hij had  vast ook niet gewild! Ze zullen verder moeten gaan waar hij mee begonnen is. Toen ze thuis waren vroegen ze de man of hij bij hen wilde blijven eten, want het werd al  donker. Hij deed dat en samen gingen ze eten. De gast brak het brood en gaf het aan de twee leerlingen. Ze dachten: “Waar/wanneer hebben we dit eerder meegemaakt!” Ze moesten toen denken aan Pasen (*). En ineens was die man weg! Maar de twee leerlingen wisten het nu: “Hij leeft, want hij was het die het brood brak. En had hij niet tegen hen gezegd. Blijf brood breken!”.

Ze gingen snel naar Jeruzalem om het te vertellen.

 

 

Thema

Kern van het verhaal: dat de leerlingen zich Jezus herinneren aan zijn handelingen. Als ze dat  doen blijkt hij onder hen te zijn!

In de uitwerking van het project “Derk Das blijft altijd bij ons” op basis van het gelijknamige prentenboek (*) komt naar voren dat het herinneren aan een gestorvende van groot belang is dat hij voortleeft! Alleen ligt bij het verhaal hier de nadruk op nog iets anders: namelijk, men moet ook iets doen om zijn leven levend te houden: zijn/haar woorden herhalen zijn/haar daden in ere houden!

(*) zie projecten onderbouw

 

Vragen

·         waarom waren die twee mannen verdrietig?

·         Er ging een derde man met hen mee. Wat zei hij tegen de twee?

·         De twee leerlingen vroegen hem of hij mee wilde eten. Waarom eigenlijk?

·         De man brak het brood. En ineens moesten ze aan Jezus denken. Waarom eigenlijk?

·         Heb jij wel eens meegemaakt dat er een bekende (vriend of familie) is overleden?

·         Waren de mensen verdrietig?

·         Wat zouden ze kunnen doen om de overledene niet te vergeten? (het antwoord ligt hier niet in opslaan van herinneringen (plakboeken), maar herinneringen doen zoals muziek draaien die de betroffen mooi vond; gaan naar een plek waar de hij/zij kwam; zijn dieren blijven verzorgen; zijn leuke dingen blijven doen, aantal dingen overnemen. Let wel, het moet wel tot plezier van de nabestaande zijn!

·         U kunt aan de kinderen vragen wat voor positieve specifieke eigenschapen hun groepsgenoten hebben en welke ze zouden willen overnemen?

·         Zie suggestie en informatie in De Vleugels van de Tijd op bladzijde 101 – 107 bij ‘afsluiting’ en ‘dood’.

 

 

 

Periode 6                                Het Pinksterfeest (18)

 

 

Zie uitwerking groep 1

Tip: Voor schoolvieringen zie 4ingen

Colofon

Tekst: Jos van Remundt

Redactie: André Stipdonk

(C) Stichting Echelon