|
Gevolgen
voor het kind.
De
gevolgen voor het kind in verschillende levensfasen (Erikson)
De ouders moeten de scheiding goed regelen om de schade voor het kind
zo beperkt mogelijk te houden en (helaas) kan de school hierbij een rol
hebben. De school is dikwijls de plek waar de eerste signalen van een
naderende scheiding worden opgevangen.
Onduidelijkheid naar de eigen kinderen en andere betrokkenen (zoals de
school en eventueel andere leerlingen) en/of het negeren van effecten
die zichtbaar worden bij kinderen kunnen ongunstig uitpakken en zijn niet
altijd zonder gevolgen.
De wetenschap worstelt al jaren met de vraag hoe groot en blijvend de
schade is voor kinderen door een scheiding van ouders.
Wanneer
men wil begrijpen hoe diep een echtscheiding in een kinderleven ingrijpt
moet men zich bewust zijn van de cruciale emotionele banden die kinderen
met hun opvoeders/ouders hebben. Om te kunnen overleven moet iedere baby
zich hechten aan een ouder/opvoeder. Er groeit een band van loyaliteit
en liefde, die voor de opvoeder een grote bevestiging en stimulans is.
Erikson stelt dat de essentiële taak van ouders/opvoeders
in de vroege kindertijd van het kind bestaat uit het ontwikkelen van een
fundamenteel vertrouwen in andere mensen.
Erikson heeft een helder overzicht gemaakt van acht ontwikkelingsfasen.
Naar aanleiding hiervan kunnen de gevolgen van een scheiding voor het
kind in een bepaalde fase zichtbaar worden.
Fase
1. Vertrouwen tegenover wantrouwen
De eerste jaren.
Hier
gaat het om vertrouwen in de ander. De ander is voornamelijk de verzorger.
Het gevoel dat die je koestert en er is, als je hem/haar nodig hebt.
Daarom is het van belang dat het kind steeds op zijn ouders (moeder)
kan rekenen. Een scheiding is een breuk in dat vertrouwen waar het zeer
jonge kind op 'dacht' te kunnen rekenen. Wantrouwen kan het resultaat
zijn.
Fase
2. Zelfstandigheid tegenover schaamte en twijfel
Vroege kinderjaren: 1 - 4 jaar.
In
hoeverre ervaart het kind dat het kan voldoen aan de eisen die aan hem
gesteld worden?
Het kind kan er plezier aan beleven iets zelfstandig te kunnen, zoals
bijvoorbeeld zindelijk zijn. Het is van belang dat het kind beseft iets
zonder inmenging van de ouder te kunnen, dat het zelfstandig is/wordt.
Daarbij is het van belang dat de ouder dat waardeert en samen met het
kind trots is.
In deze leeftijdsfase bij een scheiding worden kinderen meestal erg
verdrietig en angstig. Ze klampen zich aan hun ouders vast en kunnen
veeleisend worden. Ze krijgen last van verlatingsangst, bijvoorbeeld
wanneer ze naar een kinderdagverblijf, peuterzaal of school gaan.
Fase
3. Initiatief tegenover schuldgevoel
Peuter- en kleutertijd: 3 - 6 jaar
Krijgt
een kind de kans om uit te proberen wie hij/zij is? Het kan in rolverwarring
komen.
Of zijn de eisen zo hoog of verwarrend dat hij/zij het gevoel heeft
dat het alles fout doet? Het is vaak ook agressief tegenover andere
kinderen. Het denkt wel eens dat het ook de schuld is van de scheiding.
Het kind kan ook het gevoel hebben dat het in de steek gelaten wordt
/ kan worden.
(Zie ook fase 2.)
In
deze periode gaat het kind zich ook met de ouder identificeren: het
gaat de ouder nadoen en wil ook dat doen waar de ouder op een bepaald
moment mee bezig is: samen de ramen zemen, zelf 'autorijden' achter
het stuur, vadertje en moedertje spelen, met de pop spelen of
ruzie maken!
Fase
4. Vlijt tegenover minderwaardigheid
Schooljaren ( 6-12 jaar)
Verdriet
neemt een belangrijke plaats in, maar er kan ook boosheid bijkomen.
Boos op de ouders, meestal op de ouder bij wie het kind woont. De afwezige
ouder wordt geïdealiseerd.
In deze leeftijdfase gaat het kind het leuk vinden om werkjes te doen.
Het krijgt taakbesef. In deze fase komt het wat losser van het gezin
te staan en gaat dingen leren die passen bij de ontwikkeling van een
'zelfstandig' persoon. Hierin kan behoorlijk de klad komen door een
scheiding, en kan het kind daardoor misschien
- niet mee komen op school
- niet bij de groep willen horen
- geen plezier meer hebben.
Het zal dan steeds horen dat het 't niet goed heeft gedaan en kan daardoor
het gevoel krijgen van minderwaardigheid.
Fase
5. Identiteit tegenover rolverwarring
Pubers en adolescenten (11 - 20 jaar).
Zij
zijn soms duidelijk depressief; hun verwerken van verdriet heeft veel
weg van een rouwproces. Zij laten in sommige gevallen het gezin voor
wat het is en trekken zich terug in hun eigen leefsfeer en relaties
(peergroep). Vrienden worden een alternatief voor het gezin en die geven
een gevoel van veiligheid en stabiliteit. Hier is het gevaar dat zij
in de verleiding komen om met vrienden in aanraking te komen met kwalijke
praktijken die hen 'helpen' af te leiden van hun ellende (drank, promiscue
gedrag, drugs, criminaliteit).
Ze verliezen het vermogen om te kunnen zien welke grote of kleine keuzes
bij hen passen.
Er is namelijk geen stabiliteit en veiligheid waardoor ze opnieuw kunnen
ontdekken én ervaren wíe ze eigenlijk zijn.
Fase
6. Intimiteit tegenover isolement (jong volwassenen)
Kinderen
die veel schade hebben opgelopen door een scheiding kunnen last hebben
van een intimiteitcrisis. Wanneer ze weten wie ze zelf zijn, kunnen
ze zich kwetsbaar opstellen in een intieme relatie, zonder dat ze zich
daar zelf in verliezen. Isolement ontstaat als ze die basis niet hebben.
Als 'volwassenen' hebben ze die basis van intimiteit nodig.
Het lijkt makkelijker om zich aan iemand te binden als ze zelf geen
duidelijke identiteit hebben. Maar het lastige is dat er dan een grote
afhankelijkheid ontstaat van die andere persoon; die ander moet dan
hún leven gaan invullen.
Zie ook www.trauma.luminos.nl/index.php?t=0&p=4
|