naar homepagina

Lessen rondom de dood.

Midden- en bovenbouw

een drietal lessen voor de midden- of bovenbouw over de dood

Voor de midden- en bovenbouw is gekozen voor realistische en praktische lessen over het onderwerp ‘de dood’. Kinderen in deze leeftijdsgroep (vanaf 7 á 8jaar) zijn zich bewust van het feit dat het leven eindig is. Zij beginnen duidelijk het verschil tussen fantasie en werkelijkheid te begrijpen, maar juist daarom willen kinderen van deze leeftijd ook veel weten over een onderwerp als de dood. Er zijn veel vragen over dit toch vaak beladen onderwerp, waarop ze graag een antwoord willen hebben.

De uitgewerkte lessen kunnen gebruikt worden op het moment dat er bij een van de leerlingen in de omgeving iemand is gestorven. Door deze lessen kunnen vragen die dit onderwerp bij de leerlingen oproepen, beantwoord worden. Er kan ook gekozen worden om zonder directe aanleiding dit onderwerp aan de orde te brengen in de klas. Juist omdat het ook vanuit een praktische invalshoek benaderd kan worden.

Kringgesprek

Doelstelling:
Een gevoelig en moeilijk onderwerp als de dood bespreekbaar maken bij leerlingen aan de hand van een realistisch verhaal.

Het verhaal:
De ondeugende Jamie haalt veel kattenkwaad uit, maar ondanks dat vindt iedereen hem aardig. Op een dag, als hij met een aantal andere kinderen een buurvrouw in de tuin helpt, verstoort hij, overmoedig, een bijennest. Hij wordt gestoken, krijgt een heftige allergische reactie en sterft. Zijn vriendje, die het verhaal vertelt, komt met het vraagstuk van de dood te zitten en ook met wroeging bij de vraag, of hij Jamie, toen deze op de grond lag en weer een grapje leek uit te halen, had kunnen redden.
'We gingen bramen plukken’, geschreven door Doris Buchanan Smith, 1977, Querido.

Lesopzet:
Het verhaal is te lang om het in één keer voor te lezen. Er is voor gekozen om het in drie keer voor te lezen. Op zich is dat geen probleem, omdat het boek in acht korte hoofdstukken is ingedeeld, met steeds een duidelijk begin en einde.
De eerste drie hoofdstukken gaan over de vriendschap tussen Jamie en de hoofdpersoon uit het boek. Daarin wordt ook naar de climax van het verhaal toegewerkt.
Na het voorlezen van deze hoofdstukken kun je het met de leerlingen hebben over de mogelijke afloop. De leerlingen weten dat Jamie gestoken is, en dat er een ambulance is gearriveerd, maar ze weten nog niet hoe het met hem afloopt. Omdat de gevoelens en gedachten van de ik-persoon ook duidelijk naar voren komen, kun je het in dit gesprek ook hebben over vriendschap, gevoelens die daarbij horen en over missen en gemist worden.
“Jamie. Er is wat aan de hand met Jamie. Ik denk dat die ziekenauto voor hem komt.”
“Ach, kom,” zei ik honend. Wat kon er in die korte tijd met Jamie gebeurd zijn, tenzij hij zijn nek had gebroken toen hij zijn neerval-toneelstuk had opgevoerd.
Hoofdstuk vier, vijf en zes gaan over het afscheid nemen van Jamie. De ik-persoon bezoekt met zijn ouders de rouwkamer waar Jamie ligt en gaat naar zijn begrafenis. Deze drie hoofdstukken gaan over het daadwerkelijke afscheid nemen, en dan vooral over hoe een negenjarig jongetje dit ervaart, hoe hij naar iets als de dood kijkt, en op wat voor manier hij afscheid moet nemen van zijn beste vriendje.
Na het voorlezen van dit gedeelte van het verhaal kan er een kringgesprek gevoerd worden over afscheid nemen. Dat kan gaan over gevoelens, maar ook over praktische dingen, die in het verhaal ook aan de orde komen, zoals opbaren, de begrafenis, het vele bezoek etc. De leerlingen zullen ongetwijfeld de nodige vragen hebben na deze tekst, net zoals de ik-persoon.
“Waarom moest hij nou doodgaan?” Die vraag bleef tussen ons in de lucht hangen. Ik schrok van de klanken, maar mevrouw Mullins keek niet verwonderd. “Lieve schat, een van de moeilijkste dingen die we moeten leren is dat er op sommige vragen geen antwoord is.”
Hoofdstuk zeven en acht gaan duidelijk over de verwerking van het verlies van een vriendje.
Ook hierover kun je praten met de groep tijdens een aansluitend kringgesprek. Hoe ga je om met het verlies van een vriend, familielid of klasgenootje? Voel je die persoon nog bij je?
“Tot mijn opluchting voelde ik dat Jamie ook blij was dat de grootste droefheid voorbij was. Ik vroeg me af hoe snel engelen, of wat hij nu ook was, konden vliegen.”

Rondom de dood

Doelstelling:
Antwoord geven op alle praktische vragen die er zijn bij de dood van een persoon, maar wel op een voor de leerlingen informatieve en wat luchtige manier.

Lesopzet:
Naar aanleiding van de kringgesprekken over het boek ‘We gingen bramen plukken’ zal blijken dat er leerlingen zullen zijn die bepaalde begrippen die met de dood te maken hebben, niet kennen. Termen als testament, opbaren, waken, urn en crematie zijn begrippen die uitleg nodig hebben. Maar ook de hele gang van zaken na het overlijden van een persoon zal worden uitgelegd. Te denken valt daarbij aan doodsoorzaken (ziekte, ongeval, zinloos geweld), aan het testament (de erfenis), de begrafenisondernemer (die kist, bloemen, vervoer etc. regelt), het versturen van rouwkaarten, de keuze tussen een crematie of een begrafenis, en de rol die het geloof daarin speelt.

Lessuggesties:
- video over begraven en/of cremeren laten zien
- kinderen uit andere culturen aan het woord laten over de manier waarop zij afscheid nemen van een dierbare
- het laten zien van rouwadvertenties en rouwkaarten
- gebruikmaken van het boekje ‘Rondom de dood’ van Edith Schreuder uit de serie Informatie
- een bezoek aan een begraafplaats

Poëzie

Doelstelling:
De leerlingen ervaren door creatief taalgebruik en door het tekenen hun gevoelens ten aanzien van de dood, in het algemeen of van de dood van een dierbaar iemand in het bijzonder.

Lesopzet:
Indrukken, ervaringen, gebeurtenissen en gevoelens krijgen warmte en kleur met poëzie. De leerkracht leest enkele gedichtjes voor die te maken hebben met een droevige gebeurtenis, zoals bijv. over het verlies van iemand waar je van houdt. Aan de hand daarvan komt er een gesprek op gang over wat een bepaald gedichtje met iemand doet. En wat voor gevoelens je daarbij hebt.
Daarnaast kan de leerkracht ook gedichtjes op papier uitdelen. De leerlingen kunnen dan een tekening maken aan de hand van het gedichtje. Er kan realistisch getekend worden, of op een expressieve of abstracte manier om zo de indrukken weer te geven die het gedicht op hen maakt.
Om de leerlingen zelf een gedichtje te laten schrijven, kun je gebruikmaken van een kringassociatie, ook wel woordweb genoemd, waarbij de kinderen zo veel mogelijk woorden over sterven en het verlies van iemand opnoemen die op het bord worden geschreven.
Daarna worden verschillende dichtvormen toegelicht. Een naamgedicht kan een heel mooie vorm van dichten zijn voor een kind dat iemand verloren heeft. Het uitgangspunt van het gedichtje vormen de beginletters van een naam, op elke regel één. Het mooiste is als elke regel iets vertelt over die persoon.
Een andere dichtvorm is de elf. De elf werkt niet met lettergrepen, maar met woorden, wat makkelijker is voor kinderen. De elf bestaat uit elf woorden, als volgt verdeeld over de regels: 1-2-3-4-1.
Na het schrijven van de gedichtjes kunnen een paar kinderen tijdens een kringgesprek zijn of haar gedichtje voorlezen, en het verhaal erachter vertellen.
Alle gedichtjes komen in het lokaal te hangen. Er kan ook een dichtbundeltje van gemaakt worden.

Waarom zeg je niets, Marieke?
Waarom ben je weggegaan?
Is het stil waar jij moet wonen?
Kan ik nooit meer bij je komen?
Zeg het mij, Marieke, vlug,
anders moet ik weer terug.

Uit: ‘Marieke, Marieke’ door Jaak Dreesen

naar homepagina
^